Ik schrok net. De maan scheen heel mooi en ineens was hij weg. Ik was heel even vergeten dat er wolken zijn. Vanavond komen ze voorbij als auto’s. Des te groter de wolk, des te harder en zwaarder het sjees-geluid. Dat doen ze wel heel mooi. Ik heb heel lang gedacht, zonder dat ik het eigenlijk wist, dat we in een soort van kijkdoos wonen. De aarde eindigt bij de horizon en daar staat de lucht haaks op de aarde. Toen ik een keer bij mijn vriend achterop de fiets zat en naar de wolken keek, besefte ik dat de wolken bóven ons hangen. Dus niet tegen het blauwe geplakt. Het is toch gek dat de aarde rond is? En de maan? En het hangt daar allemaal maar? Als in een natuurkundewerkstuk. Wanneer mijn gedachten daar eenmaal hangen, denk ik misschien nog een keer aan de melkweg of een zwart gat, maar daarna houdt het óp. Je kunt toch niet aannemen dat het vrij ‘normaal’ is dat het zo is? Laat het niet zien hoe klein een mens is? (Hier had ik het al eens over op het introductiekamp van mijn opleiding. De niet-rokende meisjes uit mijn klas zaten verdeeld over twee stapelbedden in een hoek van de slaapzaal. Als iemand die boven zat iets zei, en jij zat onder, luisterde je aandachtig en probeerde je je het gezicht van je nog niet heel bekende klasgenoot voor te stellen. We hadden het over het ‘iets.’ Toen bleek dat iedereen wel een iets had, deed ik een poging uit te leggen hoe klein de mens volgens mij is. Mijn uitleg liep vast, wat ik het perfecte bewijs vond.)
Mensen gebruiken altijd een soort verzwegen argument om de kat te laten praten. ´Lekker slapen he?´, of ‘Lekker naast mij zitten he?’ of of.
Die ‘he?’ verbergt de zogenaamde vanzelfsprekendheid dat het zo zou zijn.
De kat slaapt lekker en de kat zit lekker naast mij. Nee! Weet jij veel.
ik wil vandaag bewaren:
als hij op mijn kamer komt laat hij zich op zijn buik op mijn bed vallen. ik ga op zijn kont zitten, als protest tegen zijn overgave aan het lui. zijn armen blijven op dezelfde manier naast zijn lichaam liggen. ik schuif iets naar beneden en ga bovenop hem liggen. mijn hoofd op zijn schouders en mijn kont onder de zijne. HET PAST.
hoe krijg ik me nog dichter tegen hem aan en hoe weet hij dat ik van hem houd en hoe zal hij niet denken dat het niet zo is wat ook niet zo is maar ik wil dat hij en hoe maak ik mezelf zo klein dat ik niet op maar in zijn armen lig?
hij droeg zijn donkerblauwe shirt.
mijn armen zijn behaarder dan die van hem. mijn vader maakte me altijd wijs dat ik mannenarmen had, een foutje van God. ik vond het niet erg. als ik het gevoel had dat iemand langere tijd naar mijn armen staarde, vertelde ik diegene dat het een foutje was. nu ging ik met mijn hand over zijn arm.
hij duwt zijn neus tegen mijn wang en ik kijk naar de korte blonde haren op zijn arm. zo zacht zo zacht ZO ZACHT.
het
het water
het water bewaart
het water bewaart alles
van de hemel en op de aarde
het water bewaart alles zoals het is
van de hemel en op de aarde
het water bewaart alles
het water bewaart
het water
het
ik wilde dat ik een wolk was
er zijn om te hangen
als in een stapel of
als in een waas
er zijn
voor het wit en
voor de regen
het laten
voor dat wat het is,
wit
we ademen ons
ik kijk je aan
zo kan ik goed zien dat jij het bent
dit is de laatste kus die ik je ooit geven zal
ik kus je en weet
natuurlijk niet
haast u langzaam
als protest tegen de voorspelde sneeuw tijdens pasen: de lente begint een dag eerder. nu afwachten of ik er niet alleen van ga niezen, maar misschien ook van ga brabbelen.
(dat ga ik wel dat ga ik wel, alleen je ogen knijpen dicht wanneer je niest. zie je?)
Dat hij mij ziet zitten en dat hij over mij praat, ook tegen van die mannen en dat ik dan besta, ik ben er alleen niet bij, dat er iemand naast me komt staan als ik vind dat het lang genoeg heeft geduurd, dat hij zegt dat we bijna gaan en dat we niet gaan, maar dat hij weer terug komt bij mij, dat hij naar moet luisteren als ik iets te vertellen heb en dat hij dan bijna altijd een betere kant van het verhaal te vertellen heeft, maar dat als ik er later over begin hij het niet meer weet en hij mijn verhaal vertelt alsof ik het nooit vertelde, en ook dat wanneer ik naast hem lig met mijn ogen dicht en ik dingen zeg die je alleen kunt zeggen met je ogen dicht, hij zijn arm iets anders legt.
Men is er niet, men ligt in zich, men ziet
vooruit in tijd terug, dit kan dus niet
dit is vandaag, een wig, eenvoud van niets
alsof men zich onteigent in een ding
binnen en buiten breekt hetzelfde licht, spiegel
die niet kan kiezen, tweeling, ik of ik
men ziet wat was terwijl men is, door zich
te zien wat blind is, onzin, kan dus niet
bestaat dus niet, dit liegt, wist uit in wit
alles is niets dan zwarter, witter zelfs –
Uit: Gerrit Kouwenaar: Helder maar grijzer: gedichten 1978-1996.
